Kleine hond, kleine zorgen
Onze eerste honden waren grote, zwarte en stevige kerels. Nee, niet om indruk te maken, maar omdat je in een dierenopvangcentrum domweg niet ook nog uit zeven kleuren kunt kiezen. Leuke honden, maar je kon ze niet zomaar mee nemen naar een restaurant of winkel. Met hun staarten veegden ze de kaasjes van de salontafel of ze gingen demonstratief voor de deur liggen en waren Oost-Indisch doof als je dan een poging deed de deur, van welke kant dan ook, te openen. Kortom: zo’n grote joekel houdt misschien de inbrekers op afstand, maar op gegeven moment ook je vrienden en kennissen. En hoewel mijn man geïrriteerd een wenkbrauw optrok toen ik zei dat ik op zoek naar een nieuw gezinslid zou gaan, ontspanden zijn gezichtsspieren enigszins toen ik me haastte te verzekeren dat we deze keer een kleine hond zouden krijgen. Kleine hond = kleine zorgen. Zo gezegd, zo gedaan.
Die kleine snoezel was snel gevonden en toen zelfs mijn man een glimlach rond zijn hondonvriendelijke mondhoeken kreeg en mompelde: ’leuk hondje’, was de keuze bepaald. Iedereen vindt onze Lucas schattig en ook peuters krijsen niet meer de hele buurt bij elkaar zoals toen de tong van onze veertig kilo jongens liefdevol hun neusjes likten. Voor zo’n kleine snoezel hoef je geen grote bench in de auto te zetten. Die kan gewoon op schoot. Dachten wij. Dacht hij ook in het begin, maar toen ging hij op de snelweg op ontdekkingsreis door de hele auto heen. En maar blaffen (zo’n fel stemmetje waren we tot dan toe niet gewend…). Het duurde even voor ik hem eindelijk achter de bestuurdersstoel kon grijpen… de rest van de terugweg klemde ik hem als een trofee in mijn armen.
Je krijgt ons mormel niet zomaar te pakken. Hij lijkt wel een haas. En terwijl baas en bazin als idioten door de tuin, het winkelcentrum of het restaurant rennen, geniet onze Teckel zijn bevrijding van riem en gezag. Ja hoor, we weten dat je de andere kant op moet rennen, maar ja, ook die truc kent Lucas ondertussen.
Een grote hond is alom aanwezig, zie je hem niet, dan hoor je hem ergens snurken of je ruikt hem (mmmmh, heerlijk die geur van natte hond in een gesloten ruimte). Maar een kleintje kun je ook makkelijk over het hoofd zien. Deur dicht. En dan de vraag: waar is de hond? Die dan uiteindelijk ergens vredig onder een kast blijkt te slapen, terwijl ik al met trillende handen en een brok in mijn keel de Dierenambulance, AID en Amivedi heb gewaarschuwd.
De buren vinden ons hondje ook leuk. Vooral als hij dan weer ergens een gaatje in de dichtgetimmerde omheining heeft ontdekt en de kat van nummer 7 door de border met eenjarigen van nummer 9 heeft gejaagd. Nummer 11 heeft er nooit zo’n last van. Heel beschaafde mensen met een Golden Retriever. Soms staat de meneer van nummer 11 een beetje verlegen voor de deur: of onze Lucas al terug is? Ik denk meneer heeft een borreltje gepakt of zo, maar het is pas elf uur in de ochtend… Ik verzeker hem dat die hond helemaal niet weg is geweest. Of buurman wel even mocht kijken, want hij miste het nieuwe bot van zijn Golden Retriever. Oké, geen probleem, ik zal hem een blik op ons vredig slapend schatje gunnen, om niet langer als bottendief in de buurt bekend te staan. Je raadt het al: onze Lucas sliep natuurlijk helemaal niet, maar lag met een triomfantelijke blik in zijn ogen op zijn verovering te knauwen. En de buurman en ik deden een beetje aan ochtendgymnastiek, om die kleine zijn bot te ontlokken…. Ik heb meneer aangeraden om voortaan gewoon twee botten te kopen. We zijn tenslotte buren!
Dagmar Kittelmann






